Albrandswaards Dagblad | Ik heb gelukkig een Turkse kapper

Ik heb gelukkig een Turkse kapper

mainImage


Eindelijk heb ik een kapper gevonden, die begrijpt dat ik kom om mijn haar te laten knippen en niet om meteen een gesprek te beginnen van een zeldzame stomme samenstelling. Geluk is dus toch te koop. Maar ik moet er wel een paar kilometer voor omrijden.

Zwijgzame kappers zijn in Nederland bijna niet te vinden. Dat komt omdat ze daartoe ook niet zijn opgeleid. Ze komen allemaal van de kappersacademie, waar ze behalve knippen en watergolven ook royaal uit hun nek leren lullen.

Ik heb altijd pech gehad met coiffeurs, want ze logen ook nog waar ik bij zat. Zodra hun verhaal uit was, schoot hen weer een ander te binnen en kreeg ik ook dat te horen. Er is geen vak in Nederland met zoveel verbeeldingskracht.

Sommige kappers gooien er nog een schepje bovenop en gaan vragen stellen. Die kappers vind ik nog ’t ergst, want dan moet ik onophoudelijk uit goed fatsoen ook nog een wezenloos antwoord verzinnen en daar staat in die positie mijn hoofd niet naar. Eigenlijk wil mijn hoofd maar één ding en dat is geknipt worden.

Vroeger toen ik nog voor vijf gulden op de hoek van de Jacob Catstraat en de Woelwijkstraat op m’n beurt moest wachten had de kapper geen tijd om te praten. De werkelijkheid van mijn kleine investering benam hem alle lust om ook maar één woord aan me te besteden.

Mijn kapper had ook niks te vragen, want hij had maar één model. Dat was het model van de grootste gemene deler en daar nam heel Rotterdam Noord genoegen mee. Voor vijf gulden werd je hoofd tot op het bot uitgekleed tot een vorm, waarin de moedeloosheid tot in het centrum van de stad herkenbaar was. Tot 1965 kon iedereen aan je haardracht zien waar je woonde.

Een enkele keer komt die kapper nog wel eens ter sprake, omdat ook Jan Boskamp die kapper had. Ook John van Dijk, Ad Verhoeven, Jan Villerius, Frits Bom, Wim Jansen, Willem van ‘t Wout en bij Coen Moulijn freesde hij een juweel van een fluim. Met Coen sprak de kapper wel, maar die ontsteeg tussen 1955 en 1961 het volledige toffe ouwe Noorden.

In nieuwe trendy Hair Saloons vallen de kappers inmiddels in stereo over je heen met de vraag of je happy bent, terwijl ze aan de roos op mijn schouders kunnen zien dat het tegendeel het geval is. Dus vertelde ik dat mijn oude stiel weer had opgepakt en dat ik in de raadszaal van het stadhuis zat mee te luisteren naar 45 raadsleden, 10 wethouders en 1 burgemeester die ik – op 2 na, bezien in het licht van de leeftijd –allemaal verwekt zou kunnen hebben. Maar niet op zijn mondje gevallen vergeleek de kapper me vervolgens met de Barendrechtse spermadokter Jan Karbaat, die hij schaterlachend ’s wereld grootste rukker noemde en zodra hij dan was uitgelachen riep hij: u bent klaar.
Vreemde man.
De domheid is soms troef voor drie tientjes.

Afijn, op een goed moment verlangde ik hevig naar een kapper die mijn hoofd achterover die wasbak introk en zwijgzaam z’n gang ging.

Ik was bereid om in aanvang even een kleine route te bepalen om te voorkomen dat het eindresultaat fundamenteel een zeperd zou zijn, maar daarna moest hij het zelf maar uitzoeken. Per slot van rekening kon ik toch niks zien, want ik heb m’n hele leven bij elke kapper m’n bril op goed geluk op de rand van de wastafel gelegd. En daarna trad ik in een wereld van één grote mist.
Maar daarbij behoorde mijns inziens wel absolute stilte. Daarom heb ik nu een Turkse kapper. Want die kan ik gelukkig niet verstaan.

Zijn naam? Ozturk, met twee keer umlaut.
Hij schnabbelt bij, als lid van de Tweede Kamer. Schijnt hij niet erg populair te zijn. Maakt niet uit, want hij knipt als een tierelier.