De angst om iets fout te doen bij het reanimeren blijkt voor mensen de grootste drempel om zich aan te melden voor burgerhulpverlening, blijkt uit onderzoek in opdracht van de Hartstichting. Burgerhulpverleners zijn mensen met een reanimatiecertificaat die na een oproep in een landelijk netwerk direct naar een slachtoffer kunnen voor de eerste hulp.
Volgens de Hartstichting heeft één op de vier Nederlanders een reanimatiecertificaat, maar meldt slechts 5 procent van hen zich aan als burgerhulpverlener. Uit onderzoek blijkt dat angst een grote drempel is. 62 procent denkt dat een slachtoffer kan overlijden door een fout van een burgerhulpverlener. "Die angst is heel begrijpelijk, maar onterecht", aldus programmamanager Leonie van der Leest van de Hartstichting. "Bij een hartstilstand is snelle actie cruciaal. Door wél te starten met reanimatie geef je iemand een kans om te overleven. Als je niets doet, is de overlevingskans zo goed als nul."
Ook leeft het idee dat burgerhulpverleners 24 uur per dag beschikbaar moeten zijn. "Dat is absoluut niet zo", zegt Van der Leest. "Je bepaalt zelf of je een oproep accepteert. Er worden altijd meerdere burgerhulpverleners opgeroepen, dus niemand hoeft zich schuldig te voelen als het op dat moment niet lukt om naar een reanimatieoproep te gaan." Het onderzoek werd gedaan onder 4100 Nederlanders van 18 jaar en ouder.
In Nederland krijgen elke dag zo'n 45 mensen buiten het ziekenhuis een hartstilstand. Burgerhulpverleners zijn gemiddeld 2,5 minuut sneller ter plaatse dan een ambulance. Bij de ruim 12.000 reanimatiemeldingen per jaar worden acht van de tien reanimaties gestart door burgerhulpverleners. Het netwerk werkt zo dat als er via 112 een melding binnenkomt van een hartstilstand, het alarmoproepsysteem automatisch hulpverleners in de buurt oproept via de organisatie Hartslagnu.
Volgens de Hartstichting zijn nog niet overal in Nederland voldoende burgerhulpverleners beschikbaar.
Door: ANP